Het ontstaan
Branden zijn van alle tijden, zelfs bij de Romeinen was er al sprake van min of meer georganiseerde brandbestrijding. Ook ons mooie stadje heeft door de eeuwen heen haar deel aan rampen doorstaan, en de bestrijding ervan evolueerde met de jaren mee. Wellicht een onderwerp om een boek mee te vullen, maar we hebben toch al een aantal belangrijke mijlpalen op een rijtje kunnen zetten.
Het ontstaan van onze Lierse brandweer is niet met zekerheid te bepalen, maar is er een sterk vermoeden dat al in het jaar 1370 een eerste belangrijke stap werd gezet:
Bij een grote brand buiten de Leuvensepoort vielen vele huizen ten prooi aan de vlammen.
Als rechtstreeks gevolg besloot de toenmalige magistraat om wakers in dienst te nemen, die ’s nachts de ronde deden, roepende “hoed u vier”.
In 1483 teisterde een nieuwe ramp onze stad. In de Berlarij werden meer dan 200 woningen in de as gelegd. De schade was zo omvangrijk dat Maximiliaan van Oostenrijk onze stad gedurende 10 jaar onthief van alle lasten. In 1526 brandde het huis “de Lelie” af, op de hoek van de Eikelstraat en de Grote Markt. De brand nam zo’n uitbreiding dat zelfs het begijnhof werd aangetast.
Onze grote trots, de toren van de St. Gummaruskerk, werd in 1609 door brand vernield. Om bij te dragen tot de wederopbouw werd gedurende verscheidene jaren de accijns op bier verhoogd.
In 1665 brak een grote brand uit in de Antwerpsestraat. Die zou bovendien de voorloper geweest zijn van een grote pestepidemie in de stad. Volgens de legende eiste dit meer dan 2.000 mensenlevens.
Al in 1702 werd de toren van onze hoofdkerk opnieuw door brand vernield. Het gebruik van nachtwakers bleef in voege tot in het begin van de 19e eeuw, daarna stelde men op de toren van de kerk een waker aan die elk kwartier een geruststellend hoorngeschal over de slapende stad liet weergalmen.
In geval van brand werd de stormklok geluid, en een lantaarn werd langs de kant van de bedreigde stadskant uitgehangen.
Zoals alle oude brandweerkorpsen heeft Lier de tijd gekend van handpompen en brandemmers. Bij elke oproep moesten ze het zware materiaal, zoals de met water gevulde waterbakkar ter plaatse sleuren. Door de ongunstige financiële toestand van de stad door allerhande rampen was het beschikbare materiaal eerder gering. Daarom had de militaire overheid in hun magazijnen een zuig- en perspomp laten plaatsen om de stad van dienst te kunnen zijn bij brand. Deze pomp werd bediend door militairen.


Korps vrijwilligers pompiers
Bij het oprichten van het korps op 30 november 1899 (KB 28/04/1900) beschikte de branddienst over 5 brandspuiten, waarvan 2 zuig- en perspompen, 2 afschuivende perspompen, brandemmers, kuipen en een waterkar. Het korps was samengesteld uit 3 officieren; 1 sergeant-fourier, 3 sergeanten, 6 korporaals, 3 hoornblazers en een 15tal manschappen.
Om lid te worden moest je minstens achttien en hoogstens vijftig zijn. De voorkeur werd gegeven aan ambachtslieden uit de bouwnijverheid.
De kledij van het brandweerkorps bestond uit een lange blauwe kiel, met kokarde op de linker borst, politiemuts, zwarte leren getten, een donkerkleurige broek en zwarte schoenen.
De manschappen moesten buiten de oproepingen voor brand en andere rampen ook nog deel nemen aan plechtigheden; Zo moesten onze brandweermannen de militaire eer bewijzen bij het eerste bezoek door de gouverneur van de Provincie Antwerpen.
In de jaren 1900 bevond het blusmateriaal zich in de stadslokalen van de Spaanse Poort, in Den Bril. In 1908 was er ook een pomp met toebehoren op Lisp, in een speciaal daarvoor gebouwd lokaal. Als er een brand ontstond moesten politie en nachtwakers onmiddellijk de burgemeester, de politiecommissaris en de pompiers verwittigen.
De hoornblazers kondigden dan verder de brand aan in wijken en straten.
In de 20° eeuw werd het pompierskorps door het stadsbestuur verder voorzien van nieuw materieel dat beantwoordde aan alle wettelijke vereisten. In 1924 werd dan ook beslist om een draagbare motorpomp, met een debiet van 60.000 liter water per uur, en een mechanische ladder van circa 15 meter aan te kopen. De moeilijkheden om het materiaal ter plaatse van de ramp te brengen namen echter niet af. Pas in 1937 bij het aankopen van een auto-brandwagen waren de ergste beslommeringen voorbij.

De oorlogsjaren 1914-1918
Met de burgerwacht deelde het Pompierskorps de eervolle maar lastige taak om diverse politietaken uit te oefenen. Zo ontving het korps de taak al de voorschriften en maatregelen te doen uitvoeren die door de hogere overheden genomen werden ten opzichte van personen van vijandelijke nationaliteit: Toezicht houden op het komen en gaan, huiszoekingen doen, inventaris opmaken van hun inboedel en in bepaalde gevallen zelfs hun uitdrijving verzekeren. Bij gebeurtenissen die veel volk te been brachten en bij werkzaamheden of verrichtingen door het leger, moest het pompierskorps telkens aanwezig zijn om een oogje in ’t zeil te houden, en desnoods “den regelmatige gang der zaken” te verzekeren.
Waren er vertrouwelijke bevelen over te brengen, dan deed men meestal beroep op de leden van het pompierskorps. Een bijzondere opdracht kreeg het korps toen de generale Staf van het Belgische leger zich op het stadhuis van Lier kwam vestigen. De opdracht luidde: “Scherp toezicht houden op alle u onbekende personen en hun doen en laten van zeer dichtbij nagaan; Alles wat enigszins verdacht schijnt, onmiddellijk aan de legerafdeling bekend maken!”. Verschillende personen werden dan ook door het korps aangehouden, en aan de gendarmerie overgeleverd.
Andere taken waren o.a. helpen bij het opmaken en afleveren van paspoorten, maar ook onderkomen verschaffen aan vluchtelingen die naar onze stad kwamen. Die mensen werden voorlopig in beschikbare gebouwen of bij de bevolking ondergebracht.
Verder dienden zij ook te zorgen voor het aanschaffen en leveren van benodigdheden die door de krijgsoverheid werden opgeëist, en stonden zij in voor het inzamelen van wapens. De bevelhebber deed zijn manschappen in alle woningen bekend maken “dat alle vuurwapens, van welke aard ook, door hunne bezitters bij de gendarmerie moesten worden ingeleverd”. Alleen personen, die tot het leger of een ander gewapend korps behoorden, mochten vuurwapens in hun bezit houden. Het ware drukke tijden voor het korps, zeker op momenten dat de stad vol zat met vluchtelingen, en er dan onverwachts nog een ganse legerafdeling bij kwam. Deze legerafdeling keerde terug van de strijd, om binnen de versterkte stelling wat uit te rusten. Mede door de tussenkomst van onze pompiers konden de vermoeide krijgers er op rekenen dat zij alles in gereedheid vonden en dat zij overal in de stad hartelijk werden ontvangen.
Een nieuwe taak kwam er nog bij toen de stad door de Duitse kanonnen onder vuur werd genomen. Dan stonden zij in voor de veiligheid van de bevolking. Ze moesten hen op gevaren wijzen en de geteisterde plaatsen en beschadigde gebouwen ontruimen. Het pompierskorps had ook de taak de gekwetsten naar het gasthuis, en de doden naar de begraafplaats te begeleiden. Een gevaarlijke zending, waarvan het korps zich met stiptheid en toewijding kweet.
Na de tweede wereldoorlog werd meer en meer rollend brandweermaterieel aangekocht. Een autopomp, bestemd voor de bestrijding van bos-en heidebranden, en een ladderwagen van 30 meter werden in gebruik genomen in 1964. Ze bleven in dienst bij de Lierse brandweer tot 1985.
In 1963 werd met een wet inzake de Civiele Bescherming, en in 1967 met een Koninklijk Besluit inzake de organisatie van de brandweerdiensten, de basis gelegd voor de huidige organisatie van de brandweer in België. Deze wet ontstond door de problemen die de Brusselse brandweer had ondervonden bij de brand in het warenhuis Innovation, waarbij 250 mensen het leven lieten. De brandweer van Lier moest niet alleen de stad Lier beschermen, maar ook de gemeente Ranst, waar later trouwens een vooruitgeschoven brandweerpost werd opgericht.
De brandweerdienst van Lier werd aangeduid als Z-centrum van een gewestelijke groep, waartoe ook Nijlen, Berlaar en Duffel behoorden.
Een grote ramp die bij de sommige nog herinneringen oproept, vond plaats op 20 februari 1970. Een grote brand trof toen het weeshuis in het begijnhof.

Op 27 april 1974 treft een grote brand hotel Du Commerce op de grote markt.
In 1979 werd dan een eerste stap tot professionalisering van het korps genomen. De gemeenteraad besloot om een beroepskorporaal in dienst te nemen, die instond voor het onderhoud van het materieel van de dienst. Een tweede stap werd gezet in 1981. De gemeenteraad nam toen een brandweerofficier in vast dienstverband aan.
Wat veel inwoners zich zeker nog wel herinneren, was de hevige brand van de plastiekfabrieken NV Belfort, op 24 juni 1988.
Ongeveer 2.000 mensen werden toen geëvacueerd. De schade aan het bedrijf liep op tot één miljard Belgische frank. Ondanks de hulp van onze Antwerpse collega’s, en zelfs een helikopter die water uit de Nete haalde, waren onze pompiers nog wekenlang aan het nablussen omdat de brand maar bleef opflakkeren.

Een heuglijk moment was er dan weer in 1992, toen de nieuwe brandweerkazerne aan de Hoogveldweg 97 werd geopend, in 1997 gevolgd door de oprichting van een voorpost in Ranst.
Ook in het collectief geheugen gegrift, is de enorme wateroverlast die Lier en Koningshooikt trof in 1998.
De brandweer heeft samen met de civiele bescherming en een eenheid paracommando’s wekenlang onafgebroken gewerkt.

Sinds 1 januari 2015 maakt Lier samen met 14 andere brandweerposten deel uit van Brandweerzone Rivierenland. Tegelijk wordt de samenwerking met voorpost Ranst stopgezet, die vanaf dan deel uitmaakt van brandweerzone Rand.
6 augustus 2021 Brasserie Zuid-West brand af. Kwaad opzet wordt niet uitgesloten.
11 april 2022 Eén van onze recentste grote branden haalt het nieuws: De bekende discotheek La Rocca brand af, vlak voor de definitieve sluiting.
1 januari 2024. De brandweer bestaat in Lier officieel 125 jaar.
